Menu Gedichten CategorieŽn

Vrede in BosniŽ-Herzegovina

Op 14 december 1995 komt er een einde aan de Bosnische oorlog (1992-1995) in BosniŽ Herze- govina als in de Franse hoofdstad Parijs het verdrag van Dayton ondertekend wordt door de Servische president Slobodan Milosevic (1941-2006), de Bosnische president Alija Izetbegovic (1925-2003) en de Kroatische president Franjo Tudjman (1922-1999).

In 1995 werd de onmacht van de VN-vredes- missie UNPROFOR tijdens de Bosnische oorlog pijnlijk zichtbaar. Bosnische ServiŽrs gijzelden regelmatig VN-Blauwhelmen en gebruikten deze als levend schild om hun eigen stellingen te verdedigen. In juli 1995 veroverden Bosnische ServiŽrs de Moslimenclaves Zepa en Srebrenica waar 7500 moslimmannen werden vermoord. Op 28 augustus 1995 ontplofte er een granaat op een drukke markt in Sarajevo, vermoedelijk afgevuurd vanuit Bosnisch Servische stellingen, waarbij zevenendertig burgers om het leven kwamen. Door deze gebeurtenissen veranderde het internationale politieke klimaat ten aanzien van de Bosnische oorlog. Op 30 augustus begon de NAVO een twee weken durend grond- en luchtoffensief (Operatie Deliberate Force) tegen Bosnisch Servische stellingen. Op 14 oktober kwamen de strijdende partijen een staakt-het-vuren overeen waarna op de Amerikaanse legerbasis Dayton in de VS in geheim diploma- tiekoverleg werd gevoerd tussen de regerings- leiders van de strijdende partijen onder leiding van de Amerikaanse onderhandelaar Richard Holbrooke (1941). Deze besprekingen leidde tot het verdrag van Dayton dat formeel een einde aan de Bosnische oorlog maakte. BosniŽ- Herzegovina werd opgedeeld in twee bestuur- lijke gebieden: een Moslim-Kroatische Federatie (Federatie van BosniŽ en Herzegovina) en de Servische Republiek (Republiek Srpska).

In 1995 werd president Radovan Karadzic (1945) van de Servische Republiek (Republiek Srpska) als politiek eindverantwoordelijke en opperbevelhebber van het Bosnisch Servische leger door het JoegoslaviŽ-tribunaal in Den Haag aangeklaagd voor misdaden tegen de mense- lijkheid en volkerenmoord. In 1996 trad Kara- dzic af als president van de Servische Republiek en wist tot aan zijn arrestatie in 2008 uit handen van het JoegoslaviŽ-tribunaal te blijven. Op 21 juli 2008 werd Karadzic in de Servische hoofdstad Belgrado gearresteerd en enkele dagen later uitgeleverd aan het JoegoslaviŽ- tribunaal in Den Haag waar hij op donderdag 31 juli 2008 werd voorgeleid.

In mei 1999 werd de Servische president Slobodan Milosevic (1941-2006) door het JoegoslaviŽ-tribunaal in Den Haag aangeklaagd voor oorlogsmisdaden in Kosovo, BosniŽ en KroatiŽ. Op 1 april 2001 werd Milosevic in Bel- grado gearresteerd en op 28 juni 2001 over- gebracht naar de gevangenis in Scheveningen om terecht te staan voor het internationale gerechtshof. Bovenop de aanklacht van oorlogs- misdaden werd hij in 2001 ook in staat van beschuldiging gesteld voor volkenmoord voor zijn aandeel op de moord van 7500 moslim- mannen in Srebrenica. Op 11 maart 2006 is Milosevic in zijn gevangeniscel in Scheveningen overleden.

Van de Bosnisch Servische legerleiding kregen generaal Stanislav Galic en generaal Radislav Krstic respectievelijk levenslang en 35 jaar cel opgelegd door het JoegoslaviŽ-tribunaal voor hun medeplichtigheid aan de belegering en verovering van de moslimenclave Srebrenica. De eindverantwoordelijke voor de militaire operaties in BosniŽ-Herzegovina generaal Ratko Mladic (1942) is nog altijd voortvluchtig.

Wiki: Bosnische oorlog >
Wiki: Oorlogen in JoegoslaviŽ >
Wiki: Republika Srpska >
Mibuza: BosniŽ-Herzegovina >
In Europa: BosniŽ en de waarheid >
In Europa: 1992 >

Op 11 juli 1995 wordt door Bosnische ServiŽrs onder leiding van de Servische generaal Ratko Mladic (1942) de moslimenclave Srebrenica in BosniŽ-Herzegovina veroverd.

Tijdens de Bosnische oorlog (1992-1995) in BosniŽ-Herzegovina werd in 1993 door de veilig- heidsraad van de VN zes moslimenclaves: Bihac, Gorazde, Sarajevo, Srebrenica, Tuzla en Zepa aangewezen als veilige gebieden in Bosnisch Servisch gebied die beschermd zouden worden door militairen van de VN-missie UNPROFOR. Vanaf maart 1994 werd ĎDutchbat III', een Nederlandse eenheid van de lucht- mobiele Brigade onder het commando van Luitenant-kolonel T. Karremans (1948) verant- woordelijk voor de bewaking van de moslim- enclave Srebrenica.

Toen de moslimenclave op 11 juli 1995 door Bosnische ServiŽrs aangevallen en veroverd werd, stonden de 430 Nederlandse ĎBlauw- helmen' machteloos tegenover het militaire overwicht van de Bosnische ServiŽrs en konden niet verhinderen dat mannen en vrouwen gescheiden werden en dat ruim 7500 mannen met bussen weggevoerd werden die later wer- den geŽxecuteerd. Op 21 juli 1995 verliet Dutch- bat III de enclave en keerde via Zagreb terug naar Nederland. Het drama in Srebenica kende een lange politieke nasleep in Nederland. Vanaf de dramatische gebeurtenissen in juli 1995 ont- stond er in Nederland een discussie over de rol van de Nederlandse militairen. Hadden de ĎBlauwhelmen' er alles aan gedaan om te voorkomen dat de moslimmannen werden weg- gevoerd? Werd foto- en videomateriaal van de gebeurtenissen in Srebenica met opzet bescha- digd door de overheid om de ware toedracht te verhullen?

In september 1996 kreeg het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD) van het Kabinet-Kok de opdracht om de gang van zaken rond de val van Srebrenica te onderzoe- ken. In april 2002 verscheen het rapport ĎSrebrenica, een Ďveilig' gebied' van het NIOD met als belangrijkste conclusie dat Nederland geen schuld had aan het drama, maar er wel medeverantwoordelijk voor was. In de week na het verschijnen van het rapport kondigden de ministers Pronk en De Grave aan te zullen opstappen waarna premier Kok op 16 april 2002, een maand voor de Tweede Kamerver- kiezingen, het ontslag van zijn kabinet indiende bij de koningin. Omdat er na de val van het kabinet geen inhoudelijk politiekdebat plaatsge- vonden had , stelde de Tweede Kamer op 5 juni 2002 een Parlementaire enquÍtecommissie in onder voorzitterschap van Bert Bakker van D'66 om het drama in Srebrenica te onderzoeken. Op 27 januari 2003 kwam de commissie in haar eindrapport ĎMissie zonder vrede' tot de conclu- sie dat de schuld van de moord op de ruim 7500 Moslimmannen in Srebrenica bij de Bosnische ServiŽrs lag, maar dat Nederland Ďeen geheel eigen verantwoordelijkheid' had in het drama en dat het aftreden van het Kabinet-Kok in 2002 terecht is geweest. Oud-bevelhebber Couzy van de Nederlandse landmacht had volgens de com- missie Ďonprofessioneel en verwijtbaar' gehan- deld door informatie over oorlogsmisdaden niet te melden bij Minister van Defensie Joris Voor- hoeve. Bij de defensietop was er echter geen sprake geweest van het bewust achterhouden van informatie waardoor bevelhebber Van Baal, die in 2002 op moest stappen, eerherstel kreeg.

NOS: reconstructie val Srebrenica >
Wiki: De val van Sebrenica >
NRC: Tijdlijn affaire Sebrenica >
Parlement: Kabinetscrisis 2002: Srebrenica >
Parlement: Parlementaire enquÍte Srebrenica >
NIMH: eerdere VN-missies >
Holland Doc: documentaires over Srebrenica >


Ingezonden door: jeroen scholte - Datum: 12-10-2010 om 08:38:50

Stemmen

Gemmideld cijfer: 0.0 Aantal stemmen: 0
Login om te kunnen stemmen!

Overig

0 reactie(s)
Stuur naar een vriend(in)