Menu Gedichten CategorieŽn

Wintertijd

De grafzerken werden verschoven. De Kraaien fladderden krassend heen.
Een kerkhof vol knekels en knoken voor het ritueel van 12 tot 1.
De wind gaat jammerend, gierend waaien en drijft een wolk voor de Maan.
het kerkhof hult zich in `t duister waar de skeletten op gaan staan.
Terwijl Violen wild gaan spelen, het Dansmacabre van Camille Saint Sans,
verlaten zij sluipend hun graven. Het was weer tijd voor de Dodendans.

Maar plotseling hun dansen staakten. De kerkhofklok had `t verstoord.
Hij had niet tot twaalf geslagen. De bel werdt slechts elf keer gehoord.
Ze lagen daar al heel wat jaren. En sommigen ook slechts een dag.
Nog nimmer was het voorgekomen dat hij een uurtje achter lag.
Waarom moest hij hun dans vergallen? Zijn tijdsgedrag was nogal honds.
Zij zouden zich hierom beklagen bij hun voormalig dodenfonds.

Zij waren ten zeerste verbolgen. Hierover goed de dood in had.
En dreigden met knokige vuisten naar de klok die een uurtje vergat.
Dit moeten wij niet tolereren! riep een brokkelig, mottig skelet.
Die rot klok neemt ons in de maling. Hij vergalt ons enige pret.
Ik ga de dood dit gauw vertellen, zei een skelet, vel over been.
De klok is ons gewoon aan `t sarren. En driftig in zijn graf verdween.

Ook dat geraamte zonder benen, die dansen op de handen deed,
die zat ontroostbaar droef te wenen. Die nare klok alles verweet.
En met de opzet hem te mollen, want hij had mooi hun dans verklooid,
had `t met woest grove verwensing zijn grafsteen naar de klok gegooid.
Maar door zijn drift niet goed kon mikken, waarna de steen, met grote boog,
een suf skelet goed had verpletterd, wiens doodskop over `t kerkhof vloog.

Een geraamte, wat niet eens kon dansen, die had het meest geprotesteerd.
De tijd had hem nog niet bedorven, maar nu door woede werd verteerd.
Er viel niet meer met `m te praten. En ook al deed het hem verdriet,
hij was die pokken klok gaan haten, en het kerkhof vloekend toen verliet.
Alle skeletten moesten janken. Maar hij was het uurwerk meer dan zat.
En door zijn haat en blinde woede, zijn doodkist in de haast vergat.

De freule die goed lag te rotten zei dat die klok haar strot uit hing.
En met haar rammelende botten ook naar een ander ging.
Want het Noblesse met Oblige, lag in haar schaal zeer veel gewicht.
Al was haar blauwe bloed verdwenen, bleef toch dat Adelstand verplicht.
De klok bleef rustig tijd vertikken. Zich niet bewust van dit gewoed.
Alle skeletten naar hem tierden dat hij verwijnen moest, voorgoed.

Een oud geraamte die zei jankend: wij dansten altijd met plezier.
Dit aan die klote-klok nu dankend. Het was al zo`n dooie rotboel hier.
Van allen nog het meest bezonnen gromt in een boom een groot skelet.
Hij zei, zonder zich op te winden: ik heb vorige nacht goed opgelet.
Jullie waren na enen weer verdwenen. Ik strekte nog wat de knokige benen.
De wintertijd is weer begonnen. Iemand heeft drie uur in de morgen-
ons klok een uurtje teruggezet.

Henk


Ingezonden door: Henk - Datum: 27-10-2008 om 19:38:43

Stemmen

Gemmideld cijfer: 0.0 Aantal stemmen: 0
Login om te kunnen stemmen!

Overig

0 reactie(s)
Stuur naar een vriend(in)