Menu Gedichten CategorieŽn

Geesten

Zo door Oud Amsterdam te dwalen gaat als `n film, in lange rij,
wie door de eeuwen heen hier woonden in Geestesoog aan mij voorbij.
Waar velen in die oude huizen, misschien gesjochten, had geleefd.
De buurtjes soms ook ruzie maakten, maar meer naar Vrede had gestreefd.
Voor dagelijks brood hard moesten zwoegen. Het hield, als wij, van Wijn en Trijn.
Eeuwen de liefde daar werd bedreven, op `t zo Oude Kerksplein.

Nu bij een Toren aangekomen hoor ik nog het jammerlijk geween.
Daar zie ik Schepen binnen zeilen, waar menig Zeeman op verdween.
Waar Vrouwen op hen stond te wachten. De angst in elkaars ogen las,
of hun Man was teruggekomen of op de reis verdronken was.
Vaak waren daar de vreugde tranen. Soms tranen van oneindig leed.
Ik kan naar hun verdriet slechts gissen, wat wel de Schreierstoren weet.

Loop ik zo verder in gedachten naar de veelkleurige Zeedijk,
mijn Geestesoog ziet, lang geleden, de dronken Zeelui in die wijk.
Die zich met de Vrouwtjes ging plezieren, en kwam er veel drank in de man,
dan, na de liefde, gingen vechten. Hun wijsheid zat dan in die Kan.
Jongens van Tromp, Piethein, de Ruyter, als Katten wel van Wanten wist.
Maar bij de Schout de Boot in gingen. Zich in diens Rakkers had vergist.*

Ga ik langs de Prinshendrikkade naar de Oude Schans met Montelbaan,
is `t net alsof, wie daar eens leefden, met mij onder die Toren staan.
Die eens zeer vlijtig, gelijk Mieren, het kunstwerk hadden opgebouwd.
En van de ene generatie na de ander met zware stenen had gesjouwd.
Soms iemand ook, bij het voltooien, voortijdig om `t leven kwam.
En daar het werkte in een Gilde, de Zoon zijn Vaders plaats innam.

Op de nieuwmarkt zie ik oude huisjes, gelijk een eeuwig liefdespaar,
daar, schots en scheef de tijd trotserend, vermoeid steunzoekend bij elkaar.
Veel volk die eeuwen daarin woonden toen zag, dat velen loos van stuur,
hun Waag terdege ondermijnden met wildgeplast urinezuur.
Ook Bredero, toneel-volksschrijver, zie ik met goed stuk in zijn kraag,**
eeuwen geleden Urineren tegen de toen nog jonge Waag.

Ik stond er even te pauseren, daar in die smalle Barndesteeg.
En hoorde Gregoriaansgezangen, toen in mijn Geest de beelden kreeg,
van statig voortschrijdende Monniken verscholen in hun ruige Pij,
die plechtig in Processie liepen door de gangen van een oud Abdij.
Devoot hun handen in de mouwen. Zo eeuwen door het Klooster zwierf.
Ik hoor het Onze Vader zingen door hen die door de eeuwen heen daar stierf.

Maar eens, dan ben ik ook verleden. Verdwenen in vergetelheid.
Naarmate eeuwen zijn vergleden, weer wordt gedacht aan deze tijd.
Het moge hen dan zijn gegeven dat wat ik zag er nog zal staan.
En waar ik nu over heb geschreven hopelijk niet zal zijn vergaan.
Laat `t de eeuwen door zich werken, wat voor hun tijd zich hier bewoog,
en ziet wat er is nagelaten, gaan wij ook door diens Geestesoog.

Henk

PS

De Schout was toen des tijds een politiechef.*
Zijn Rakkers waren de agenten.

Gerbrand Adriaenszoon Bredero.**
geb. in de Nes in Amsterdam 16 maart 1585. Overleden 23 aug.1618
Hij schreef blijspelen voor het Volk in de Nieuwmarktbuurt en omstreken.
Zijn vader was belastinginner.
Gerbrand was dikwijls te vinden in de drankgelegenheden in de Nieuwmarktbuurt,
en dikwijls de Waag als Pispaal heeft gebruikt.







Ingezonden door: Henk - Datum: 08-04-2006 om 15:21:38

Stemmen

Gemmideld cijfer: 0.0 Aantal stemmen: 0
Login om te kunnen stemmen!

Overig

0 reactie(s)
Stuur naar een vriend(in)